Leren haken


Met slechts een bolletje haakgaren of ander geschikt materiaal en een bijpassende haaknaald maak je de leukste creaties. Haken is ook gemakkelijk te leren en je kunt je haakwerk bijna overal mee naar toe nemen.

Leren haken

Leren haken is niet moeilijk. Er zijn eigenlijk maar drie basissteken die je moet leren. Met die drie basissteken zijn eindeloos veel variaties mogelijk. Zij zorgen voor de verschillende patronen in je werkstuk.

Je houdt de haaknaald in je rechterhand zoals een potlood, tussen duim en wijsvinger. Met je linkerhand houd je de draad en je haakwerk vast.
Elk haakwerk begint met een opzetlus. Leg de draad in een lus. Steek de haaknaald eronder en trek de lus omhoog.

De basissteken

  • losse
  • vaste
  • stokje

De eerste basissteek is de losse. Sla de draad om de haaknaald en trek de lus door.

Als je dit steeds herhaalt krijg je een ketting van lossen.
De tweede basissteek is de vaste. Om vasten te haken, maak je eerst een ketting van lossen. Steek dan de haaknaald in de derde losse vanaf de haaknaald. Je neemt alleen de bovenkant van de losse op. Sla de draad om de naald en trek de naald op door de losse.

Om de volgende vaste te haken, steek je weer in de bovenkant van de volgende losse, sla de draad om de naald, trek de naald op door de losse, sla de draad weer om de naald en trek de draad door beide lussen.
Dit steeds herhalen.
De eerste vaste bestaat uit 2 lossen, die telt als 1 vaste.

Keren

Bij het keren hou je de haaknaald gewoon stil. Je draait je werk van rechts naar links zodat de opzetdraad aan je rechterkant ligt.
Als je de tweede rij vasten gaat haken, begin je met 1 losse, want de andere losse is er al. Dat is de laatste vaste van de eerste rij.
De eerste echte vaste van de tweede rij wordt ingestoken bij de pijl.

De derde basissteek is het stokje.
Om stokjes te haken, begin je weer met een ketting van lossen.
Voor het eerste stokje steek je in de 5e losse vanaf de haaknaald.
De eerste drie lossen is de hoogte van de stokjesrij, de vierde losse is de basissteek en boven de vijfde losse komt het eerste echte stokje.
De vier lossen aan de zijkant tellen we voor 1 stokje.
Om een stokje te maken sla je één keer de draad om de naald voordat je in de bovenkant van de losse steekt. Je trekt met de haaknaald de draad op uit de losse, let op: alleen door de losse.

Sla de draad om de haaknaald. Trek de draad door de 2 lussen op de haaknaald. Sla de draad weer om de haaknaald en trek de draad door de beide (laatste) lussen.

Keren

Het keren gaat op dezelfde manier als bij de vasten.
Om een tweede rij stokjes te haken, begin je met 3 lossen. Deze lossen vormen de hoogte van de rij stokjes. Dan haak je het eerste stokje door in te steken bij de pijl.

Het laatste stokje van de rij wordt gehaakt boven de beginlossen van de vorige rij. Hiervoor neem je de 2 lussen op van de bovenste losse.

Stokjes 8

Insteken bij de pijl

Afhechten

Dit is bij haken erg gemakkelijk. Je haalt de laatste lus een beetje omhoog, knip je draad op ongeveer 10 cm. af en steek het stukje draad door de lus. Daarna stop je de draad met behulp van een naald door enkele steken en knip het restantje af.

Rondjes haken

Ook rondjes haken is niet moeilijk en biedt weer tal van nieuwe mogelijkheden.
Zo leer je rondjes haken.

Kleuren wisselen

In een werkstuk kunnen we natuurlijk verschillende kleuren gebruiken.
Leer met verschillende kleuren haken.

Boekentips